inicio mail me! sindicaci;ón

Archive for February, 2010

Slimmer samenwerken in de Centra voor Jeugd en Gezin en Veiligheidshuizen

De instanties die betrokken zijn bij het voorkomen, opsporen en helpen van probleemgezinnen werken al jaren beperkt samen. In het Centrum voor Jeugd en Gezin moeten hulpverleners die betrokken zijn de preventie van problemen vanuit één loket de gezinnen tegemoet treden. Kernpartners zijn hier de jeugdgezondheidszorg (GGD en consultatiebureaus), jeugdhulpverlening van Bureau Jeugdzorg (BJZ is al een ketenoplossing op zichzelf) en maatschappelijk werk. Het concept van de veiligheidshuizen dwingt op een zelfde manier het Openbaar Ministerie, de Politie en de afdeling Reclassering van Bureau Jeugdzorg met elkaar samen te werken.

Wie zich verdiept in deze concepten, ziet al snel waarom professionals niet goed samenwerken:

  • Verschillende talen, begrippen, werkwijzen en regelgeving maken communicatie en goede samenwerking lastig.
  • Verschillen in cultuur, type opleiding en niveau zorgen voor afstanden tussen de verschillende disciplines.
  • Verschillende automatiseringsgraden en systemen zorgen ervoor dat informatie beperkt digitaal beschikbaar of uitwisselbaar is. Veelal werkt men nog op papier.
  • Iedereen werkt op zijn eigen manier aan verbetering van de situatie, zonder deze kennis goed te delen.
  • De druk om de privacy van gezinnen te beschermen blokkeert het delen van informatie tussen hulpverleners. Verschillende onderzoeken laten zien dat in het belang van het kind eigenlijk meer informatie gedeeld mag worden, dan dat er op dit moment gebeurt.  
  • Tegelijkertijd zorgen ernstige incidenten voor een (media)druk op de sector. Deze spanning leidt niet tot meer samenwerking, maar tot een individueel ingraven in bureaucratie: de neiging bestaat alles vast te willen leggen om zich te kunnen verantwoorden. Onder de bureaucratische druk (waarbij het wel lijkt alsof er steeds meer regels komen om de regelgeving te verminderen…) wordt al het initiatief tot vernieuwing plat geslagen.

Alles bij elkaar hangt er een sfeer van suboptimale samenwerking, maar lijkt men te verstard om verbeteringen aan te pakken. Zowel het CJG als het Veiligheidshuis zijn voornamelijk institutionele oplossingen voor bovengenoemde samenwerkingsproblemen. Op zich zijn de nieuwe organisatievormen een goede ontwikkeling, mits er op een slimme manier invulling aan de concepten wordt gegeven. Dit mag van Rouvoet decentraal gebeuren, zodat we niet een, maar eigenlijk 400 (per gemeente) verschillende smaken krijgen. Wij volgen de ontwikkelingen door het hele land al een tijdje op de voet. Wat valt zowel in de eerste CJG’s als de eerste Veiligheidshuizen op?

  • De verschillen in opzet zijn groot. Men is in de meeste regio’s vooral fysiek bij elkaar gekomen, maar werkt nog steeds op de oude manier (langs elkaar heen). Verschillen worden nog beperkt overbrugt. Cultuurverandering kan alleen langzaam?
  • Digitale informatiesystemen zijn zeer beperkt aanwezig. Men werkt veelal met eigen systemen en voert nieuwe systemen  nog per organisatie in (het Digitaal Dossier JGZ). Het enige gezamenlijke systeem dat er is (de Verwijsindex Risico’s Jeugdigen) geeft geen informatie over wat er met kinderen aan de hand is. Het heeft (nog) geen prioriteit om gezamenlijk een registratie voor procesinformatie of beleidsinformatie op te zetten. Zie ook ons onderzoek ‘Digitaal Geschakeld’ in opdracht van het Programmaministerie voor Jeugd en Gezin hiernaar.
  • Simpele zaken die het samenwerken in een organisatie zo prettig maken zijn op CJG niveau nog niet geregeld. Er is geen intranet, men kan niet in elkaars agenda, er is nauwelijks centraal overleg en er is nog geen telefooncentrale.
  • De kosten voor o.a. nieuwe gebouwen, projectleiders en werkgroepen zijn gigantisch. Wethouders steken graag geld (grotendeels rechtstreeks afkomstig van het Rijk) in het optuigen van nieuwe organisaties.
  • Niemand heeft een gevoel bij de effectiviteit van de nieuwe organisaties. Het aantal burgers dat de nieuwe organisaties weet te vinden is in ieder geval beperkt.

Laten we niet te kritisch zijn en kijken naar de mogelijkheden. Welke kansen laten we nog onbenut?

  • Je hoeft geen fysiek CJG te hebben om als virtuele organisatie met elkaar samen te werken. Je moet elkaar gewoon kennen, regelmatig tegenkomen (en niet alleen in werkoverleg) en elkaar weten te vinden. Kortom, de sterke kanten van elkaar weten te vinden en benutten. Op die manier ontstaat samenwerking vanzelf.
  • Het lage aantal fysieke bezoekers kunnen we oplossen door te kijken naar de online mogelijkheden. Virtuele CJG’s zijn sterk in opkomst; nu nog een hierop afgestemde back-office.
  • Online tools maken samenwerking makkelijker. Denk bijvoorbeeld aan een gezamenlijke kennisomgeving (zoals een Ning) om informatie centraal te delen. Ook Skype kan veel onnodig e-mailverkeer en overvolle inboxen voorkomen. Direct zien wie er beschikbaar is, instant messages sturen of een conference call met beeld erbij starten biedt mogelijkheden voor veilige, snelle, toegankelijke en ‘warme’ communicatie .
  • Ook social media (zoals Hyves, Facebook, LinkedIn en Twitter) kennen tal van mogelijkheden voor de sector om slimmer te communiceren, elkaar te leren kennen, samen te werken en met de jeugdige doelgroep in contact te komen. (Zie ook mijn vorige blog. Ik zit nog steeds te wachten op de eerste Twitterende jeugdartsen of hulpverleners.)

De genoemde oplossingen zijn wellicht nieuw voor de sector, maar bewijzen al geruime tijd hun waarde in professionele settings in andere sectoren. Vaak onder de noemer ‘het nieuwe werken’ of 2.0.

Kortom, samenwerken vergt een gezamenlijke cultuur, een veelvoud van momenten en mogelijkheden om elkaar (virtueel) te ontmoeten, bekendheid met elkaars competenties en gebruik maken van dezelfde systemen. Een flinke uitdaging, maar hard nodig om van navelstaren te komen tot een gezamenlijke externe oriëntatie op problemen en oplossingen. Pas dan ontstaat CJG2.0 of Veiligheidshuis2.0. Ik geloof er echt in: het benutten van de digitale mogelijkheden voorkomt verstarring, geeft samenwerking een boost en maakt werken in de jeugdketen weer leuk. Maar dat moet je wel durven!

De waanzinnige toekomst van m-Health

Terwijl de gemiddelde werknemer in de zorg nog dagelijks tegen allerlei minder handig georganiseerde zaken aanloopt, bruist het ondertussen van de nieuwe ontwikkelingen. Samen met mijn collega’s volg ik de voorbeelden op het gebied van zorg 2.0 en e-health op de voet. Zie onze eerdere berichten op dit vlak. Op Twitter gonsde het al een tijdje rondom een nieuwe baanbrekende ontwikkeling: m-Health. Mobiele toepassingen in de zorg creëren ongekende mogelijkheden om het zorgproces slimmer te organiseren (dat bespaart veel geld en wachten), sneller te communiceren (dat bespaart zelfs levens) en de behandeling innovatief te ondersteunen (doorgaan met je normale leven). Het sluit daarmee perfect aan bij de wensen van de moderne patiënt, die zijn zorg op maat wil ontvangen. Het liefst zonder ook maar iets af te wijken van zijn normale dagritme, afspraken en consumptiegewoonten.

Begin februari was ik op MoMo#14 over het thema m-Health. De jongens achter Mobile Monday organiseren al een tijd een succesvolle informatieve netwerkbijeenkomst voor mobiele innovators op elke laatste maandag van de maand. Deze keer was het thema mobile-health ontwikkelingen. Enthousiaste sprekers gaven een overview van de mogelijkheden, de trends en de uitdagingen. Wat bleef me bij:

  • Artsen die hun volledige boekenkast via hun handheld kunnen raadplegen, berekeningen kunnen uitvoeren en zo een stuk beter hun werk kunnen doen.
  • Er zijn nu al meer dan 3000 health-applicaties voor de iPhone beschikbaar. Opvallend: een applicatie die meet en adviseert (snelheid, ritme en kracht) hoe je zo goed mogelijk een hartreanimatie uitvoert. Zelfs in gebruik door ambulance personeel, bespaart deze levens!
  • De mogelijke toepassingen voor ouderen, verslaafden, medicijngebruikers, de jeugdzorg, preventie en lifestyle bevordering zijn eindeloos. Zelfs na een dag brainstormen kom je nog steeds nieuwe mogelijkheden tegen om de zorg met mobiele telefonie te innoveren. Veel van deze mogelijkheden gaan dwars in tegen de bestaande structuren in de zorg. De term ‘disruptive’ is verschillende keren genoemd, om de mogelijkheden te onderstrepen die deze technologie biedt om het net even anders te doen dan dat we nu gewend zijn. En met anders bedoel ik: anders dan bestaande regelgeving (die is hier nog niet op toegespitst), anders dan bestaande communicatiekanalen (dat kan veel slimmer en directer) en anders dan bestaande behandelmethoden.
  • De link tussen social media en m-health is dichterbij dan je denkt. Toepassingen als hartslagmeters en stappentellers maken het samen sporten (maar dan zonder elkaar te zien en alleen online resultaten zoals hardloopafstanden delen) een stuk leuker. Maar ook het delen van je medische gegevens met andere patiënten kan op grote schaal gaan plaatsvinden. De trend, zo wordt geroepen: minder zorgen om privacy, als je met de ervaringen van anderen sneller beter kunt worden.
  • Technologische innovaties, zoals het nieuwe bluetooth low energy protocol, maken met mogelijk chips voor minder dan 1 euro per stuk op allerlei gebruiksmaterialen te plaatsen. Sensoren zoals thermometers kunnen vervolgens via de mobiele telefoon worden uitgelezen. Zien we hier geen prachtige mogelijkheden om alle hardwerkende verpleegkundigen in ziekenhuizen verschillende werkzaamheden uit handen te nemen?

Kortom, tal van nieuwe mogelijkheden! Mobile toepassingen komen nu van zowel de open source als de commerciale sector. Waarschijnlijk is dit ook nodig om een nieuwe markt open te breken. Toch zijn de businessmodellen nog niet uitgekristaliseerd. Terwijl de baten evident zijn, zijn deze moeilijk te kwantificeren en naar een partij terug te leiden. Wie gaat er voor betalen? Een typisch innovatie in de zorg dillema. Gaat m-health echt doorbreken? De aanwezigen van Mobile Monday waren het er over eens: het is geen vraag ‘of’ m-health gaat doorbreken, alleen ‘wanneer’. We houden het in de gaten.